Een verscheidenheid aan eigenschappen

Door hun samenstelling en bestanddelen (eiwitten, lactose en mineralen) zijn weiproducten soms moeilijk te drogen. Weideeltjes vertonen een verscheidenheid aan eigenschappen en moeten uitgaande van deze variërende eigenschappen worden gedroogd en verwerkt. GEA is marktleider op het gebied van technologieën voor het drogen van wei en biedt oplossingen voor weiproducten en weiderivaten zoals gedemineraliseerd weipoeder, lactose, permeaat, wei-eiwitconcentraten (WPC's), wei-eiwitisolaten (WPI's) en zure/zoete wei.

Het productaanbod van GEA omvat verschillende typen sproeidrogers en elk van deze drogers is specifiek voor bepaalde productsamenstellingen en poedereigenschappen ontworpen.

Sproeidrogen zonder kristallisatie

Voor dit proces zijn de volgende stappen/processen vereist: voorverwarming, concentratie, sproeidrogen en pneumatisch koelen in een vibrerend wervelbed. Normaal weipoeder dat via dit proces wordt verkregen, is een fijn, stuivend stof, dat hygroscopisch is en neiging tot klonteren vertoont (vaak beïnvloed door het type wei en de plaatselijke klimaatomstandigheden). De kleverigheid en de neiging tot klonteren en de hieruit voortvloeiende problemen van normaal weipoeder zijn voornamelijk te wijten aan de aanwezigheid van ongestructureerde gekristalliseerde lactose.
 
Bij het sproeidrogen van melkproducten, worden lactosedeeltjes amorf en onstabiel in atmosferische lucht met een normale vochtigheidsgraad. Alleen alfa-lactose monohydraat is stabiel bij vochtigheid. Aangezien het lactosegehalte van weipoeder meer dan 70% van de totale vaste stoffen bedraagt (vergeleken met de 30% in volle melk), wordt het sproeidroogproces hierdoor een grotere uitdaging. Het is echter mogelijk om het droogproces te manipuleren en het grootste gedeelte van de lactose om te zetten in stabiel alfa-lactose monohydraat.

Sproeidrogen met kristallisatie

Om de uiteindelijke kristallisatie te vergemakkelijken, kan een pre-kristallisatiestap in het weiproductieproces worden opgenomen. Deze vindt plaats vóór het sproeidrogen. De viscositeit van het concentraat is aanvaardbaar laag, temperaturen kunnen worden geregeld en gecontroleerd, de verplaatsing van de gebruikte oplossing van het oppervlak van de kristallen kan worden versneld door roeren en de vereiste hoeveelheid geschikte lactosekristallen kan worden geoptimaliseerd door correcte enting.
 
Bovendien heeft het pre-kristallisatieproces normaal gesproken voldoende tijd om de optimale (theoretische) mate van kristallisatie te bereiken. De uitkomst is dat het product geen neiging tot klonteren vertoont en na agglomeratie, stofvrij en free flowing is. De agglomeraten zijn doorgaans klein en daardoor is de bulkdichtheid relatief hoog.